Opvoeding


Tijdens mijn studiejaren in Nederland werkte ik in Rotterdam in een kledingwinkel op de kinderafdeling. Het was een komen en gaan van schattige baby’s, babbelende peuters en chagrijnige tieners. Geen van de kinderen heeft echter zo’n indruk op me gemaakt als een klein kereltje dat op een koude wintermiddag samen met zijn moeder mijn afdeling op kwam lopen.

Ik schat dat hij zes of zeven moet zijn geweest. Ik liep naar de moeder toe en vroeg vriendelijk of ik haar van dienst kon zijn. De moeder, die met haar zoon bij een tafeltje met peuterkleding stond, keek me aan, maar voordat ze iets kon zeggen maakte haar zoontje een veegbeweging met zijn arm en gooide alle pas opgevouwen kleding van het tafeltje. De moeder liep rood aan, maar in plaats van haar zoon bestraffend terecht te wijzen, keek ze hem aan en zei met een lief stemmetje: ,,Liefje, dat mag je echt niet doen hoor.” De knul keek zijn moeder woedend aan en schreeuwde: ,,F@!% you!”

Ondertussen hield ik mijn adem in. Ik wist dat ik zo’n streek bij mijn moeder niet zou kunnen flikken, want dan zou ik geen seconde langer leven om het na te kunnen vertellen. Maar dit kleine kereltje leek zo zeker van zichzelf zoals hij zijn moeder boos aankeek. Het was niet het kind, maar de moeder die verward om zich heen keek. Ze wist niet zo goed wat ze moest doen en met een nerveus lachje zei ze uiteindelijk: ,,Kom, kom. Dat mag je niet tegen mama zeggen hè.” De moeder keek me verontschuldigend aan en maakte zich razendsnel met haar kroost uit de voeten.

Ik bleef verward en stomverbaasd achter. Gedurende de jaren ben ik erachter gekomen dat iedereen een andere manier van opvoeden heeft. De manier waarop ik werd opgevoed en de wijze van disciplineren van mijn ouders wordt niet door iedereen gehanteerd – en dat is hun goed recht – maar het incident van die dag op de kinderafdeling deed bij mij de vraag rijzen of hier überhaupt sprake was geweest van opvoeding.

Mijn ouders zijn met de riem en pal’i funchi grootgebracht. Gaf je een grote bek dan werd hier meteen korte metten mee gemaakt. Mijn broer en ik kregen wat meer vrijheid om onze mening te uiten, maar we moesten niet de vergissing maken en denken dat dit betekende dat we onbeschoft mochten zijn. Een fout die ik – zo moet ik helaas toegeven – vaak genoeg heb begaan in mijn jongere jaren. Ook ik heb regelmatig oog in oog gestaan met de pal’i funchi, de riem en de slipper. Mijn moeder was een sluwe vos. Ze liet me denken dat het ‘oké’ was dat ik haar had ‘gechiewd’ en liet me weglopen met groeiende zelfvertrouwen. Tevreden stapte ik onder de douche en neuriede zelfs mijn lievelingsliedje. Toen ik het douchegordijn opzij trok, knapte mijn geluksbel echter want daar stond mijn moeder – stilletjes in het hoekje van de badkamer – met een riem in de hand, rustig te wachten tot ik klaar was met douchen.

Op die koude winterdag jaren later op de kinderafdeling, dwaalden – na het incident tussen moeder en zoon – mijn gedachten af naar mijn eigen moeder. ,,Hoe de tijden zijn veranderd”, mompelde ik. Direct daarna moest ik grinniken omdat ik bedacht dat mijn moeder – hoe volwassen ik ook mocht zijn – mij nog steeds in de hoek van de badkamer met de riem in de hand zou opwachten als ik die streek met haar zou uithalen.