Hesus nos gusta bòmbòshi


,,Hesus nos gusta bòmbòshi.” Dat is een zin die je hier regelmatig hoort. Curaçaoëenaars zeggen het vaak over zichzelf; hard, als een feit. De vrije vertaling van bòmbòshi: gedoe. Of populair vertaald: drama. Ja, het is echt zo: wij Curaçaoënaars houden van drama!

bomboshi-1

Om de een of andere mysterieuze reden – en zonder hierbij te generaliseren – kunnen wij intens genieten van het lijden of de tegenslagen van een ander. Als twee mensen ruzie met elkaar hebben, zijn er altijd die vriendinnen die van een simpel meningsverschil ‘bòmbòshi’ maken. Die vriendinnen zie je het hele jaar niet, maar zodra ze te horen krijgen dat a niet met b praat, staan ze voor je deur en wijken geen seconde van je zijde. In plaats van de boel te sussen, gooien ze olie op het vuur: ,,Hoe bedoel je het  goedmaken?”, snauwen ze wanneer je zegt dat het eigenlijk om een suf misverstand gaat. ,,Weet je wel wat Dekka allemaal over je heeft gezegd? Ben je gek?”  En wanneer je Dekka onverwachts ergens tegenkomt, zijn dit de vriendinnen die naast je gaan staan en schreeuwen: ,,Dal e, dal e. DAL E!” (Sla haar, sla haar. SLA HAAR!)

bomboshi-2

Bij een auto-ongeluk kan men nooit gewoon doorrijden. Waarom? Paso nos gusta bòmbòshi. We rijden langs met een snelheid van 3 kilometer per uur en breken in het passeren bijna onze nek om de slachtoffers goed te kunnen bekijken. En wanneer we eenmaal doorhebben om wie het gaat: ,,Amigaaaaa! Hataa! B’a wak ta ken? Ta Uka, yu di e konosí di e amiga di mi mama su prima. Aino yu. B’a wak kiko e tin bisti? Hopi fastioso.”  (Meisje! Heb je gezien wie dat is? Het is Uka, de dochter van de kennis van de vriendin van de nicht van mijn moeder. Ainee. Heb je gezien wat ze aan heeft? Verschrikkelijk.)

Dat is nog niet eens het ergste. Uka ligt op de grond bijna dood te bloeden naast een onbekende man. Zonder uit te zoeken om wie het gaat, zeggen we: ,,Ta ken e gai ei? Uka tin su frei. Hata, gewon e ta kòrta e gai su orea.” (Wie is die man? Uka heeft een vriend. Ze gaat zomaar vreemd.) Ondertussen worden honderden foto’s gemaakt – hoe Uka naast de vreemde man ligt, dat ze hevig uit een wond bloedt en ja, er wordt zelfs een foto gemaakt van haar jurk die omhoog is gewaaid – en naar alle vrienden en kennissen gestuurd. Si, nos gusta bòmbòshi!

We doen er allemaal lacherig over en verwijten een ander altijd het veroorzaken van ‘bòmbòshi’, maar ondertussen doen we het zelf. Wanneer iemand ons een ‘geheim’  vertelt en we het toch aan de andere persoon doorvertellen en er hierbij zelfs een schepje bovenop doen: ,,Si, Judi di ku e ta bati’bo ora e mira’bo.” (Ja, Judi zei dat ze je in elkaar slaat wanneer ze je ziet.) Ondertussen had arme Judi alleen maar gezegd dat ze ruzie heeft met de persoon in kwestie en haar niet wil zien of spreken.

Waarom we zo van bòmbòshi houden? Al sla je me dood. En misschien is het niet eens typisch iets van Curaçaoëenaars, maar eerder gewoon iets van de mens. Hoe dan ook, moeten we er vanaf zien te komen. Want wanneer Uka erachter komt dat jij de foto’s van haar hebt gemaakt terwijl ze liggend op de grond naast een onbekende man lag met haar jurk omhoog; ‘b’a kue awa’! (Dan ben je nog lang niet jarig!)